De Eerste Kamer heeft sinds 1887 het recht van enquête, maar heeft dat nog nooit gebruikt. In 1981 werd een voorstel voor het houden van een enquête naar contracten over verwerking van kernafval verworpen. Daarna werd alleen in 2000 nog een mogelijk in te stellen enquête naar de zorg besproken, maar dat idee verdween snel van tafel. 

CU-fractievoorzitter Schuurman diende in januari 2011 een voorstel in over het instellen van een parlementair onderzoek door de Eerste Kamer naar de gevolgen van privatiseringen van overheidsbedrijven. Op 24 mei adviseerde een Eerste Kamercommissie positief over dit voorstel, maar een besluit werd uitgesteld tot na de Eerste Kamerverkiezingen. Het definitieve besluit werd op 27 september 2011 genomen. Een ruime meerderheid steunde het voorstel.

1.

Enquêtevoorstel in 1981

Op 18 mei 1981 dienden de Eerste Kamerleden Mol (PvdA), Trip (PPR) en Vis (D66) een voorstel in tot het instellen van een parlementaire enquête naar zgn. opwerkingscontracten, die door Nederlandse bedrijven, de Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland en de Provinciale Zeeuwse Energie Maatschappij waren gesloten met een Brits en een Frans bedrijf.

Het voorstel werd gedaan in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel inzake Goedkeuring van overeenkomsten die met Groot-Brittannië en Frankrijk waren gesloten over de eventuele terugzending van het na opwerking van bestraalde reactorbrandstof resterende radioactief afval (15.920).

De Nederlandse staat nam door de contracten verplichtingen op zich en de daarover met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk gewisselde nota's waren aan het parlement voorgelegd. Dat was echter niet het geval met de tekst van de opwerkingscontracten. De Tweede Kamer had door aanneming van een motie-Van Houwelingen aangedrongen op openbaarmaking.

De regering weigerde dat, omdat de betrokken firma's daartegen bezwaren maakten. Zij vreesden het uitlekken van informatie naar concurrerende bedrijven. Van eenzijdige openbaarmaking door Nederland werd bovendien schade gevreesd aan de betrekkingen met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

De regering was alleen bereid tot vertrouwelijke inzage en tot vertrouwelijk overleg. Na opneming in de ontwerp-goedkeuringswet van de melding dat de inhoud van de contacten aan de Staten-Generaal was meegedeeld, nam de Tweede Kamer dat wetsvoorstel vervolgens aan.

De leden van Mol, Trip en Vis meenden dat de Eerste Kamer als medewetgever recht had om kennis te kunnen nemen van alle relevante stukken. Zij verwezen daarbij ook naar een in 1981 voorliggend Grondwetswetsvoorstel om een minderheid van de Kamer het recht op parlementaire enquête te geven. Dat voorstel was al in beide Kamers in eerste lezing met een ruime meerderheid aanvaard.

Minister Van Aardenne bleef bij zijn eerdere weigering. Hij kreeg daarbij bijval van CDA-woordvoerder Kaland en van de VVD'er Zoutendijk. Tevergeefs deed PvdA'er Mol een beroep op hen, met de woorden:

"Wat kan er worden bereikt indien het onderzoek zou worden uitgevoerd? Er kan worden bereikt dat degenen in Nederland die deze aangelegenheid met aandacht volgen - dat zijn er toch niet zo weinigen - de overtuiging krijgen dat men bij wetgeving ten aanzien van kernenergie in ieder geval in de Eerste Kamer de meest zorgvuldige procedure van afhandeling kiest, en dat men kernenergie niet met huid en haar wil slikken, ongeacht of men nu daarvoor dan wel daartegen is."

Het voorstel werd op 2 juni 1981 met 39 tegen 23 stemmen verworpen. De fracties van PvdA, PPR, D66 en CPN stemden vóór, die van CDA, VVD, GPV en SGP tegen.

2.

Initiatief in 2000

In 2000 werd vanuit de CDA-fractie de gedachte gelanceerd een enquête te houden naar de problemen in de zorg, zoals de lange wachttijden. Deze gedachte mondde echter niet uit in een formeel voorstel. Op voorhand had de VVD-fractie in de Eerste Kamer al laten weten geen behoefte te hebben aan een onderzoek en andere fracties waren evenmin enthousiast. Het voorstel verdween tijdens een procedurevergadering van de betrokken Kamercommissie van tafel.

In plaats daarvan kwam er op 13 november 2001 een debat met minister Borst van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daaraan vooraf ging een schriftelijke vragenronde. Aan het debat namen alleen de fracties van CDA, VVD, D66, SGP en GroenLinks deel.

3.

Minderheidsrecht op enquête

De Eerste Kamer speelde een belangrijke rol bij de pogingen om een Kamerminderheid het recht te geven een parlementaire enquête te laten instellen. Twee keer verhinderde de Senaat dat.

Bij de algehele herziening van de Grondwet werd in 1980 door de beide Kamers een voorstel in eerste lezing aangenomen om een parlementaire minderheid het recht van enquête te verlenen. Initiator was CDA'er Faber, wiens amendement met ruime meerderheid door de Tweede Kamer werd aanvaard. Alleen VVD, SGP, GPV en vier CDA-leden stemden tegen. Het gewijzigde wetsvoorstel kreeg vervolgens in beide Kamers een ruime steun.

Bij de tweede lezing in de Senaat in 1982 was de eerdere CDA-woordvoerder, De Gaay Fortman, geen lid meer. Hij was vervangen door Kaland. Die verdedigde namens zijn fractie een volstrekt ander standpunt dan bij de eerste lezing, waarbij het voorstel-Mol c.s. een belangrijke factor was. Ditmaal was vrijwel de gehele CDA-fractie tegen (evenals VVD en SGP). Aangezien er daarmee geen meerderheid, laat staan een tweederde meerderheid was, sneuvelde het voorstel.

De Tweede Kamerleden Stoffelen (PvdA) en Van der Burg (CDA) ondernamen in 1985 een nieuwe poging voor het invoeren van het minderheidsrecht (voor een derde van alle leden) op enquête. Zij wezen op de toegenomen betekenis van regeerakkoorden, die volgens hen versterking van de middelen van de oppositie noodzakelijk maakte. De oppositie moest over voldoende instrumenten beschikken om het regeringsbeleid goed te kunnen beoordelen.

Ook ditmaal verhinderde de Eerste Kamer dat dit in de Tweede Kamer ruim gesteunde voorstel het haalde. Wederom gaf de CDA-fractie de doorslag.

  • Contact
  • Home